
|
|
Tot
1572
Het ontstaan van Abbenbroek
Het is onduidelijk wanneer de polder van
Abbenbroek bedijkt is, maar het oudste gedeelte - het Oudeland - moet in ieder
geval vóór 1200 zijn ingepolderd. Abbenbroek was op dat moment nog maar een
geïsoleerd eilandje in een waterrijk gebied. In de nabijheid lagen weliswaar
opgeslibte gorzen, maar deze waren onbewoond en het zou nog ruim een eeuw duren
voordat deze gebieden eveneens werden ontgonnen. In 1337 werd bijvoorbeeld het
‘Oude-Nieuweland' ingepolderd. Handel en reizen verliepen in de Middeleeuwen
louter per schip en de gunstige ligging langs de goed bevaarbare rivier De
Bernisse zorgde ervoor dat Abbenbroek een zekere mate van welvaart genoot.
Abbenbroek bezat bovendien een bijzondere
juridische status. Reeds bij de allereerste vermelding in 1206 wordt duidelijk
dat ‘Appenbruech' niet tot de heerlijkheid Voorne behoorde, maar als zelfstandige
eenheid moest worden beschouwd. Dat wordt in een akte uit 1220 nog eens
bevestigd, wanneer Dirk van Voorne een groot deel van Zuidwest Voorne aan Abdij
ter Doest schonk. Hierbij werd Abbenbroek buiten beschouwing gelaten. Het
geslacht Van Abbenbroek had het gebied in bruikleen van de graaf van Holland
onder Zeeuwse rechte. Dit betekende dat na het overlijden van de leenheer zijn
zoons het in gelijke delen erfden. Op die manier raakte het leenheerschap
steeds verder versnipperd. Bovendien mochten bij gebrek aan zonen ook de
dochters de rechten erven.
|
|
Read more...
|
|
|
1572-1811
Het dorp
De reformatie op Voorne verliep zonder veel
noemenswaardige incidenten. De kerk van Abbenbroek werd voortaan gebruikt voor
de protestantse eredienst en Hermanus Geldreus staat te boek als de eerste
hervormde predikant.
De dorpelingen onderhielden zich in hun
bestaan met landbouw en veeteelt. Verspreid in de polders Oudeland, de Oude
Nieuwlandsche polder en de Nieuwlandsche polder stonden enkele boederijen, maar
de meeste inwoners woonden in de dorpskern, rond de waterkom. Jan Kluit geeft
in zijn dagboek een aardige beschrijving van het dorp omstreeks het het midden
van de achttiende eeuw: ‘het dorp staat
in het noordoosten van de Heerlijkheid, daer de Bernisse in de staat van een
sloot off smalle haven langs heenen loopt. Het dorp is in een langwerpig
halfrondt gebouwdt met platgeschooren lindeboomen voor de huijzen en een
waterkom in 't midden tot gerief der ingezetenen, 't welk gestadig door de
haven of Bernisse ververscht kan worden. Ook diend deeze laastgemelde rivier
het dorp voor een haven die door het steeds opslikken om de agt off negen jaren
moet uitgediept worden.' De haven had sinds de verzanding van de Bernisse
nauwelijk nog een functie en werd voornamelijk gebruikt om de jaarlijkse oogst
te vervoeren. In de kom werd in 1765 de weg met stenen bestraat.
|
|
Read more...
|
|
|
1811-nu
In 1831 werd een nieuwe school gebouwd. Het aantal inwoners nam langzamerhand toe. In 1839 was het aantal gegroeid naar 640 inwoners. Landbouw bleef de belangrijkste bron van inkomsten, maar daar kwam rond de eeuwwisseling verandering in. In 1888 werd Abbenbroek als steekproef onderzocht door de Landbouwcommissie, die onderzoek deed naar de mate waarop Nederland leed aan een landbouwcrisis. De prijs van graan was ten gevolge van de industriële revolutie in relatief korte tijd enorm in prijs gedaald, waardoor veel boeren in de problemen kwamen. De landbouwers konden de hypotheek niet meer opbrengen en beschikten nauwelijks over kapitaal om te investeren in machines, die juist de kostprijs van de teelt van graan konden verlagen. Er was minder werk voor arbeiders, die uit Abbenbroek naar de stad trokken.
|
|
Read more...
|
|
|