STREEKARCHIEF
 >
Uitleg virtuele atlas
LAATSTE NIEUWS
Bijna 50.000 pagina's Bevolkingsregisters geïndexeerd!
De afgelopen maanden zijn duizenden aanvullingen toegevoegd
De online collectie is uitgebreid met ruim 1000 historische kaarten
Help het Streekarchief bij het indexeren van de Bevolkingsregisters op Vele Handen
VIRTUELE ATLAS VAN VOORNE, PUTTEN EN ROZENBURG

De Virtuele Atlas is het onderdeel van de website van het Streekarchief Voorne-Putten en Rozenburg waarin kaarten uit verschillende perioden kunnen worden bekeken en doorzocht, zodat de bezoeker zich een beeld kan vormen van de ontwikkeling van zijn woonomgeving. De basis van de Virtuele Atlas wordt gevormd door een aantal kaarten uit het Kaartboek van Voorne (1695-1701), aangevuld met de kaarten van Abbenbroek (1701), de Ring van Putten (1701), Velgersdijk (1641), Rozenburg (1727) en Zuidland (1771). Zodoende is het volledige gebied van Voorne-Putten en Rozenburg in kaart gebracht. Deze uitleg bevat algemene achtergrondinformatie van de polderkaarten en daarnaast worden verschillende aspecten en begrippen nader toelicht.

Polderkaarten
Kaarten uit deze periode hadden een totaal ander doel dan de topografische kaarten van tegenwoordig. Ze vormden namelijk een hulpmiddel bij het innen van grondbelastingen. Elk jaar moesten landeigenaren het zogenaamde 'schot', betalen. Dat bedrag werd jaarlijks vastgesteld door het polderbestuur en het groepje ingelanden dat de meeste grond bezat. Iedere grondbezitter moest vervolgens al naar gelang de hoeveelheid land die hij bezat, een bedrag betalen waarmee onder meer dijken en wegen werden aangelegd en onderhouden. In de loop van de zestiende eeuw gingen polderbesturen voor de registratie van het grondbezit steeds vaker gebruik maken van polderkaarten. Alle percelen land werden hierop ingetekend en deze konden worden voorzien van de oppervlakte en een nummer dat correspondeerde met een register van landeigenaren. Het was natuurlijk een stuk overzichtelijker om veranderingen in stukken land - zoals de samenvoeging of splitsing van percelen - op een kaart aan te geven, en met een nieuw nummer in het register bij te schrijven. Daarnaast konden ook de vronen worden aangegeven: de stukken land waarover geen belasting hoefde te worden betaald. Kortom, polderkaarten bevorderden de efficiëntie van de belastingheffing.

Een landmeter was van cruciaal belang bij een nauwkeurige grondboekhouding. Zijn werk bestond voornamelijk uit het opmeten van percelen ten behoeve van de (ver)koop, (ver)huur of belastingheffing. Alle gegevens van oppervlakten, eigenaren en gebruikers werden door de landmeter in veldboeken genoteerd en deze registers fungeerden als bewijsstuk bij geschillen en rechtszaken rond eigendom of belastingen. Het was dus erg belangrijk dat een landmeter eerlijk en onpartijdig was. Voordat hij zijn beroep mocht uitoefenen werd hij in ieder geval getest op zijn vakkennis en de nauwkeurigheid van zijn meetinstrumenten. Er is in ons gebied al heel vroeg sprake van landmeters. In het Rechtsboek van Jan. Matthijsz. uit circa 1415 is al een instructie voor zijn werkzaamheden geschreven. Zo moest een landmeter kennis hebben van de geometrie, beschikken over betrouwbare meetinstrumenten en hij werd verplicht alle metingen in de Voornse Maat te verrichten.
Al die middeleeuwse maten bezorgden landmeters nogal eens hoofdbrekens. Voordat Napoleon in 1810 het metrieke stelsel introduceerde om eenheid te bevorderen, hanteerde elke streek en stad zijn eigen maateenheid. Zo bestond in Brielle en de landen van Voorne een gemet uit 300 (vierkante) roede, wat neerkwam op 0,45 hectare. Putten daarentegen had een gemet 0,49 hectare. Op basis van alle metingen die een landmeter had gedaan, vervaardigde een graveur een drukplaat. Hiermee konden enkele honderden polderkaarten worden gedrukt die werden gebruikt voor de registratie of werden geschonken of verkocht als wanddecoratie. Van diverse polders zijn de originele koperen drukplaten in het Streekarchief bewaard gebleven.

Kaartboek van Voorne
Het vroegere Voorne strekte zich uit over een veel groter gebied dan tegenwoordig. In de zeventiende eeuw stonden de eilanden Voorne, Goeree en Overflakkee bekend onder de namen Oost-, West-, en Zuid-Voorne. Het gebied werd bestuurd door de Staten van Voorne, een uitgebreid gezelschap dat eenmaal per jaar vergaderde op het Stadhuis van Brielle. Die bijeenkomsten werden aangeduid als Generale Dagvaart. De aanwezigen waren onder andere afgevaardigden van de dorps- en stadsbesturen en de 'breedst geërfden': mannen die vanwege hun uitgebreide grondbezit een stem in de vergadering hadden. Tijdens de jaarvergadering werd onder meer het tarief bepaald van het te betalen schot. Er werd gekeken naar de verwachte uitgaven zoals dat in de begroting was aangegeven en op basis daarvan werd de hoogte van de belastingheffing voor dat jaar vastgesteld. Op 1 juni 1694 werd in de Generale Dagvaart besloten tot het vervaardigen van een Caartboeck van Voorne. Van elke polder zou een kaart worden vervaardigd waarop elk perceel met de precieze afmeting stond aangegeven. Op die manier kon het schot nauwkeuriger worden bepaald, en waren vronen en tiendhoeken overzichtelijker in beeld te brengen. (Een tiendhoek is een deel van een polder.)

Het was niet de eerste keer dat er kaarten van de polders op Voorne werden gemaakt. Uit verschillende bronnen is gebleken dat Johannes Dou in opdracht van de Gecommitteerde Raden van Holland en Westvriesland tussen 1654 en 1656 vele percelen op Voorne-Putten en Flakkee in kaart heeft gebracht. En een paar jaar later, in 1661, werd door de Baljuw en Leenmannen van de Generale Dijckage van Voorne aan de landmeter Nicolaas Stampioen opdracht gegeven om een kaart te vervaardigen van de polders die onder de Algemene Dijkage vielen. En ten slotte gaf de Leidse boekhandelaar Pieter Engelvaart in 1675 een kaart uit, die weer een stuk uitgebreider was dan die van Stampioen. Zo had elk perceel een nummer gekregen, waarmee nadere gegevens waren terug te vinden in een begeleidend boekje. Uit de kaart wordt duidelijk dat boekhandelaar Engelvaart de kaart op eigen initiatief uitgaf, terwijl hij hem opdroeg aan de Dijkgraaf, Heemraden en Breede Geërfden (grootgrondbezitters).

Het was dus de vierde opdracht in veertig jaar om de polders van Voorne in kaart te brengen. Op 7 juni 1695 werd definitief besloten tot vervaardiging van een kaartboek en de opdracht daartoe werd aan Heyman van Dijck gegeven. Hij had een jaar eerder al in opdracht van baljuw Jacob Frederik van Schagen het gebied van Heenvliet in kaart gebracht. Blijkbaar had hij dit tot volle tevredenheid gedaan, zodat Van Schagen - die als Baljuw eveneens voorzitter was van de Generale Dagvaart - bereid was hem de opdracht te verlenen. Drie kaarten binnen het kaartboek zijn opvallend. Het gaat hierbij om de kaarten van Heenvliet, Zwartewaal en Abbenbroek. Heijman van Dijck was in Nieuwenhoorn geboren als zoon van eenvoudig kleermaker maar verder is er weinig over hem bekend. In 1697 kon Van Dijck al wat ontwerptekeningen met proefdrukken voorleggen aan de secretarissen. Zij moesten controleren of alle vermeldingen van percelen, woningen, boerderijen en dorpen klopten, en nagaan of de omvang van elk perceel correct was weergegeven.
Die korte tijd die hij nodig had, vormt één van de aanwijzingen dat Van Dijck geen landmeter was, maar bestaande kaarten heeft nagetekend in zijn eigen, karakteristieke stijl. Het opmeten van 20.000 hectaren kan onmogelijk in drie jaar plaats hebben plaats gevonden, en het bedrag dat hij ervoor ontving is aanzienlijk lager dan landmeters gewoonlijk voor hun werkzaamheden kregen. Daarnaast is Van Dijck nooit als landmeter geadmitteerd en staat hij nergens als zodanig op kaarten vermeld. Tenslotte is uit details van de kaarten op te maken dat er gebruik is gemaakt van verouderd materiaal. Het is dus hoogstwaarschijnlijk dat Van Dijck geen landmeter, maar een kaarttekenaar was. Hij zal bestaande kaarten hebben gekopieerd, vergroot of verklein en samengevoegd. Dat is eveneens een moeilijk karwei waar veel specialisme voor nodig was, maar het vergde minder tijd dan het compleet opmeten van alle percelen op Voorne.

Na het aanbrengen van de laatste wijzigingen, heeft J. Stemmers de definitieve koperplaten gegraveerd. De bekende etser Jan Luyken heeft bovendien elke polderkaart voorzien van een illustratie die een aspect van het dagelijks leven op het platteland uitbeeldde. Het kaartboek werd tenslotte gecompleteerd door een titelplaat die werd vervaardigd door Romeyn de Hooge. Deze weelderige illustratie verbeeldt het thema 'strijd tegen het water' en toont als centrale figuur een god die het land van Voorne verdedigt. Links van hem zit de godin van de landbouw te midden van haar volgelingen en rechts van hem pogen de weergoden het land met hoge golven te verzwelgen.
Na de uitgave van het kaartboek in 1697 volgden nog diverse herdrukken. In 1700 werd bijvoorbeeld al een serie herdrukken vervaardigd als special presentexemplaren voor de Gecommitteerde Raden. En in 1862 werd op voorstel van B. Vlielander bij de Brielse boekdrukker Hofstede van de polders Nieuw-Helvoet, Nieuwenhoorn, Oud- en Nieuw-Rockanje en Rugge elk vijftig nieuwe kaarten gemaakt. In 1968 verkreeg de Vereniging Vrienden van het Trompmuseum toestemming van het Waterschap de Brielse Dijkring om door Frans Spuybroek van elke koperplaat twintig nieuwe afdrukken te laten maken. Daarna zijn nog herdrukken door A. Meuldijk in Geervliet en de Printshop te Amsterdam vervaardigd. Omdat de koperen platen tijdens het drukproces aan slijtage onderhavig zijn, is het onwaarschijnlijk dat er ooit nog andere herdrukken worden gemaakt. Via de Virtuele Atlas zijn de kaarten van het huidige Voorne in ieder geval ontsloten voor het grote publiek.

Kaarten van Putten
De Ring van Putten omvatte een negental polders en werd beheerd door het Hoogheemraadschap Putten. (Geervliet met Oud-Hoenderhoek, Spijkenis, Braband, Biert, Simonshaven, Oud Schuddebeurs, Hekelingen en Vriesland)

De opdracht tot het maken van de eerste kaart van de Ring van Putten dateert uit 1614, toen landmeter Daniel Schellincx verzocht werd een kaart met een schaal van 200 Putse roeden te maken. Deze zou tachtig jaar lang worden gebruikt in de registratie van het grondeigendom in de polders. Tien maanden nadat het Hoogheemraadschap van Voorne definitief had besloten tot het uitgeven van een Caertboeck, besloten de Opperdijkgraaf en Hoogheemraden van de Ring van Putten om een soortgelijke kaart te laten maken. Zij kozen voor landmeter Bernard de Roy om de metingen te verrichten. In 1701 werden zijn kaarten door het bestuur goedgekeurd, en konden de koperen platen worden gesneden. De kaart was te groot om op één koperen plaat te snijden, zodat er voor werd gekozen om de kaart in vier delen te splitsen, en vier koperen platen te maken. Het snijden van de platen werd verzorgd door de Utrechter Casper Specht. Uiteindelijk werden er honderd kaarten gedrukt, en twaalf daarvan werd aan elkaar geplakt om weer een geheel te vormen. Hiermee beschikte ook de Ring van Putten over een vrijwel feilloos pre-kadastraal registratiesysteem, dat tot 1832 werd gebruikt. Ook deze kaarten werden herdrukt. In 1738 en 1774 gebeurde dat met kleine wijzigingen, en in 1968 maakte Frans Spuijbroek een herdruk zoals hij ook deed met de kaarten van Voorne. Voor het Virtueel Kaartboek zijn de vier losse delen tot één afbeelding samengevoegd.

Velgersdijk & Westenryk genaamt Zuydland
Zuidland viel niet onder het hoogheemraadschap van Voorne, noch dat van Putten. Het gebied behoorde, net als Velgersdijk, tot de buitengebieden.

Velgersdijk
De kaart van de polder Velgersdijk (nabij Zuidland) stamt vermoedelijk uit 1641. Het is namelijk niet duidelijk of dit een originele kaart of een herdruk van later datum is. De stijl doet in vergelijking met de kaarten van Voorne en Putten grover en primitiever aan. De kaart van Velgersdijk is in ieder geval één van de oudste polderkaarten die van deze regio bewaard is gebleven.

Zuidland
De totstandkoming van de kaart van Zuidland verliep buitengewoon moeizaam. In 1753 werd er voor het eerst over gesproken, maar de eerste aanzetten die daarop door een verder onbekende landmeter werden gedaan, voldeden niet aan de eisen. In 1757 wordt aan landmeter Engel van Dintel vijftig gulden betaald voor het snijden en in orde brengen van de kaart. Het is daarbij onduidelijk of Van Dintel de kaart uit 1753 bewerkte of misschien aan een andere plaat werkte. Pas in 1771 werd de kaart daadwerkelijk gedrukt in een oplage van honderd exemplaren. Ook hierbij is het onduidelijk of het de plaat betreft waar in 1757 sprake van is, of dat het om ander exemplaar gaat. Kortom, er zijn meer vragen dan antwoorden.

Kaart van Rozenburg
In 1727 is het ambachtsheerlijkheid Rozenburg in eigendom van de Staten van Holland. De Staten wilde het gebied verkopen, en in verband daarmee werd een kaart gemaakt door Willem van Swieten en Johannis Sandifort. Het is een grote kaart, opgedeeld in acht deelkaarten, die een overzicht geeft van alle percelen van het eiland. Ook hier bestaan nog de lijsten waarin niet alleen de woningen worden opgesomd, maar ook alle landerijen met hun gebruikers. De oorspronkelijk in acht delen opgedeelde kaarten zijn speciaal voor de Virtuele Atlas samengevoegd.

Literatuur
Voor meer achtergrondinformatie wordt verwezen naar de volgende publicaties:
L.W. Hordijk, 'Het Cultuurbezit van het waterschap De Brielse Dijkring', (Brielle, 2004)
D.L. de Jong, 'Caart-Boeck van alle de Dorpen en Polders van den Lande van voorne aan de Oost-Zijde van Flacquee, genomen 1685', (z.p., 1939)
J. Klok, 'Inleiding Caartboeck van Voorne 1695, aangevuld met De Caarte van het Westenryck genaamt Zuydlandt en Caerten van de Ringh van Putten', (Rockanje, 2001)
H.C. Pouls, 'Landmeters op Voorne', uitgave in de publicatiereeks van de stichting Streekhistorie Voorne-Putten en Rozenburg, deel 19. (Bernisse, 2003)